Jacoba Johanna (Coba) Ritsema werd vaak beschouwd als de meest getalenteerde van de ‘Amsterdamse Joffers‘; ze werd sterk beïnvloed door de Amsterdamse impressionist George Hendrik Breitner. ‘Haar werk vertoont zowel een geweldige compositie als een majestueuze penseelstreek’, zei criticus Johan van Eikeren in 1949. Ze had een stevige toets en een rijk en kleurrijk palet. Ze maakte veel portretten en stillevens.

 

Coba Ritsema
(fotograaf van deze foto: onbekend).

 

Beroepsopleiding
Van 1891 tot 1893 volgde ze de School voor Kunstnijverheid in Haarlem, waar ze de basistechnieken van tekenen leerde.
Van 1893 tot 1897 studeerde ze aan de Rijksacademie in Amsterdam, waar ze les kreeg van professor Allebé, die ze zeer bewonderde. Op de academie viel ze al snel op: haar leraren waren verbaasd over haar vormbegrip en haar fijne gevoel voor kleur.
Twee jaar later vroeg ze de beroemde portretschilder Thérèse Schwartze om haar les te geven, maar die weigerde: “Je bent goed genoeg om zelf door te gaan”, zei Thérèse na twee bezoeken aan Coba’s atelier.
Coba vroeg ook om bij George Hendrik Breitner te studeren, maar hij weigerde ook, hij prees haar kunst en dacht waarschijnlijk dat hij haar niet veel kon leren. Ze vond dat vreselijk, te oordelen naar haar uitspraak: “Ik had altijd het gevoel dat ik meer onderricht nodig had.” Hierna ontwikkelde ze haar talent en bescheiden stijl in haar eentje tot een hoog competentieniveau. Dit deed ze door hard te werken en goed te kijken naar het werk van haar collega’s als Breitner, Schwartze, Israëls en Robertson.
Zelf werd ze docent van de leerlingen als Grada Jacoba Wilhelmina Boks, Tine Honig, Coba Surie, Hillegonda Henriëtte Tellekamp, ​​Victoire Wirix en Gonda Wulfse.
Ze maakte deel  uit van de Amsterdamse Joffers, en was lid van Tekenvereniging Pictura (Dordrecht), Pulchri Studio (Den Haag), St. Lucas en Arti et Amicitiae (beide in Amsterdam).

Leven en werk
Coba Ritsema werd op 26 juni 1876 geboren als dochter van boekdrukker Coenraad Ritsema en zijn vrouw Jeanette (Jannetje) Moulijn in een artistiek gezin met een zus en twee broers. In haar familie waren er al een paar bekende kunstenaars – haar grootvader Jacob Ritsema was een amateurschilder en haar vader was lithograaf.
Haar broer Jacob studeerde sinds zijn 15e jaar aan de Academie van Düsseldorf, ook de leeftijd waarop Coba haar broer wilde volgen om een kunstopleiding te volgen. Maar voor een meisje was het zeer ongebruikelijk om op zo’n jonge leeftijd naar het buitenland te gaan, en ze kreeg geen toestemming. Daarom schreef ze zich in aan de hogeschool in Haarlem en werd later toegelaten tot de Rijksacademie in Amsterdam.
Na een korte periode terug in Haarlem, verhuisde ze in 1899 naar een woning aan de Jan Luykenstraat 23 in Amsterdam, terwijl ze haar atelier had op de vierde verdieping van de Singel 512.
Ze legde zich toe op stillevens en portretten. Ritsema’s werk werd in 1947 beschreven door criticus Johan van Eikeren alsof “ze door een man gemaakt konden zijn” – wat in die jaren als een groot compliment werd beschouwd. Ze werd beschouwd als ‘de beste van de klas’ op de Academie (volgens haar collega Lizzy Ansingh) en als de meest getalenteerde van de Joffers.
Coba was close met haar broer Jacob; samen bespraken ze altijd de kunst en elkaars werk. Toen hij in 1943 plotseling stierf, greep haar dat enorm aan – Jacob was tenslotte ook schilder en ze raadpleegde hem veel. Ze was geen feministe, maar werd beschouwd als een voorbeeld van een onafhankelijke vrouw.
Hoewel ze enkele studiereizen maakte naar Parijs, Londen en Brussel, werkte ze het liefst in haar Amsterdamse studio. Ze was een stadsmeisje, het platteland trok haar niet zo aan. Ze was een introvert persoon, een beetje eenling. Ze gaf niet om geld (ze zou het vaak zelfs uitgeven voordat ze het verdiende), en ze was niet altijd gemakkelijk om mee om te gaan. Ze was gelukkig in haar atelier waar ze haar kunst en vaardigheden steeds wilde verbeteren.
Dankzij talloze tentoonstellingen en prijzen kon ze haar werk gemakkelijk verkopen.
Op latere leeftijd bleef ze actief, hoewel haar atelier op de vierde verdieping niet gemakkelijk te bereiken was – ze had op elke verdieping stoelen geplaatst om telkens te kunnen rusten terwijl ze de steile Amsterdamse trappen opliep. In haar laatste jaren woonde ze in een bejaardentehuis genaamd ‘Pro Senectute’ in de Vondelstraat te Amsterdam. Hier kon ze zich maar moeilijk aan de regels houden. In dit tehuis stierf ze op 13 december 1961 op 85-jarige leeftijd als gevolg van een hartaanval. Het was voorpaginanieuws in de landelijke kranten: “Coba Ritsema overleden, een van de grootste vrouwelijke schilders van ons land” (NRC). Daarna werd het stiller rond haar naam.

Tentoonstellingen en prijzen
Coba Ritsema’s werk werd o.a. tentoongesteld in (selection):
1910 – Kunstgalerie Biesing, Amsterdam
1918 & 1943 – Arti & Amicitiae, Amsterdam
1924 – kunstgalerie Buffa Amsterdam
1933 – kunstgalerie Goudstikker, Amsterdam
1939 – Rijksmuseum, Amsterdam
1940 – Gemeente Museum, Den Haag
1946 – Stedelijk Museum, Amsterdam
1947 – Van Abbe Museum, Eindhoven
1948 – Pulchri Studio, Den Haag
1958 – Museum Lakenhal, Leiden
Coba Ritsema won diverse prijzen:
– Willink van Collen prijs in 1899
– Bronze medaille op de Exposition Universelle et Internationale, Brussel 1910
– Zilveren medaille van de stad Amsterdam, 1912
– Koninklijke onderscheiding van Koningin Wilhelmina, Amsterdam 1918
– Zilveren medaille van de stad Amsterdam, 1923
– Rembrandt medaille van de stad Leiden, 1957
Werken van Coba Ritsema zijn te vinden in Teylers Museum Haarlem, Kunstmuseum Den Haag, Stedelijk Museum Amsterdam, Museum De Lakenhal Leiden, Museum Boymans van Beuningen Rotterdam.
Twee van haar werken zijn hier beschikbaar in de online galerie.

Bronnen
– Jacobs, P.M.J.E. 2000, Beeldend Benelux, biografisch handboek. Tilburg: Stichting Studiecentrum voor Beeldende Kunst.
– Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD.
– Venema, A. 1977, De Amsterdamse Joffers. Baarn: Het Wereldvenster.
– Wikipedia.