Jacoba (Coba) Surie was een Nederlandse kunstschilder en de laatste ‘Amsterdamse Joffer’.

 

Zelfportret uit 1918.

 

Beroepsopleiding
Jacoba Surie begon haar opleiding in 1898 aan de Teekenschool voor den Werkenden Stand in Amsterdam, tot 1901. Tegelijkertijd kreeg ze schilderlessen van Jo Stumpff.
In 1901 schreef ze zich in bij de Rijksacademie van Beeldende Kunsten, ook in Amsterdam. Hier kreeg ze les van Joseph Mendes da Costa. Op de Academie raakte ze bevriend met vrouwelijke schilders Lizzy Ansingh en Ans van den Berg. Ze werd door Lizzy Ansingh uitgenodigd om lid te worden van een kring van vrouwelijke schilders, later bekend als ‘Amsterdamse Joffers’. Van 1908 tot 1910 kreeg ze les van Coba Ritsema, ook een van de ‘Joffers’.
Surie was een professioneel lid van verschillende kunstverenigingen, bijvoorbeeld: De Amsterdamse Joffers, Arti et Amicitiae en Sint Lucas, allemaal in Amsterdam. Ze was ook lid van Pulchri Studio in Den Haag en van Pictura Veluvensis in Renkum.
Als professioneel schilder werkte ze voornamelijk in Amsterdam. 36 jaar lang deelde ze hier een huis & atelier met Ans van den Berg, ook een van de Amsterdamse Joffers, aan de Keizersgracht. Samen reisden ze soms, zowel in Nederland (Brabant en Zeeland) als in 1912 naar Italië en in 1918 naar Parijs.

‘Jacoba Surie schildert de schoonheid der dingen’
(anonieme recensent in NRC – 1929).

Leven en werk
Jacoba Surie werd geboren in Amsterdam op 5 september 1879. Ze was de dochter van de welvarende koffiehandelaar Hendrik Carel Surie en zijn vrouw Sara Johanna Lingeman.
Ooit beschreef ze haar vader als ‘een artistieke man die prachtig viool speelde en altijd tekende’. Van moeders kant was er ook een kunstenaar, de schilder Lambertus Lingeman (1829-1894), die haar overigens niet heeft beïnvloed met zijn 17e-eeuwse genrestukken.

Ik heb een vluchtig karakter, voor mij gaat het om de directe indruk.
Ik wil niet worden afgeleid.
Coba Surie

Toen Jacoba 12 jaar oud was, werd ze, zoals veel meisjes van haar leeftijd en status, naar kostschool Godesberg gestuurd, waar ze les kreeg in moderne talen, muziek en artistieke vorming. Toen ze terugkwam, koos ze voor schilderen, hoewel ze veel later tegen Jan de Carpentier zei: “Als ik later was geboren, was mijn keuze fotografie geweest!” Maar ze voegde eraan toe: “Ach, vrouwelijke fotografen bestonden in die tijd gewoon niet. Stel je voor …!”
Jacoba Surie is nooit getrouwd. Ze voelde dat ze met haar werk getrouwd was. Haar stijl was impressionistisch en ze werkte door tot op hoge leeftijd. Toen ze tachtig was, zei ze: “Ik heb nog steeds schildermiddagen per week, en dat zijn de hoogtepunten in mijn leven.” Alle Joffers werkten afzonderlijk en in het werk van elk van hen was er een duidelijk persoonlijk tintje. De ontmoetingen met de Joffers en het theedrinken bij de beroemde portrettiste Thérèse Schwartze waren voor haar ideale momenten om over het werk te praten en ervaringen uit te wisselen.
Net als andere Joffers had ze geen zin in artistieke innovatie of modernisme en haar werk vertoont slechts weinig ontwikkeling, hoewel haar stijl na 1030 wat losser en lichter werd. Ze zei hierover: “Natuurlijk volgden we de ontwikkelingen, maar het veranderde ons niet.” Ze bleef bij haar eigen kunst en probeerde dat te perfectioneren.
Ze beoordeelde haar eigen werk als ‘het minst ingewikkelde van allemaal’. Ze wilde indrukken weergeven van het dagelijkse leven om haar heen. Ze was heel bescheiden, ze gedroeg zich niet als een ‘beroemde schilder’ zoals Thérèse Schwartze of Coba Ritsema, en ze was zich er zeer van bewust dat ze minder beroemd was dan die twee. Ze wilde in haar atelier werken – soms in de zomer buiten – en doen waar ze goed in was: eerlijke indrukken schilderen, stillevens, veel vissen, bloemen, fruit en enkele mooie portretten. Precies die dagelijkse dingen inspireerden haar. Tijdens haar reizen met Ans van den Berg tekende Jacoba aquarelschetsen. Eenmaal thuis had ze geen zin om die schetsen verder uit te werken, ze wilde weer terug naar het schilderen van haar favoriete onderwerpen. Ze zag zichzelf nooit als een ‘plein air’ schilder, ze werkte het liefst elke dag in haar atelier en werkte zeer gedisciplineerd, ondanks haar ‘vluchtigheid’. Ze was een bescheiden, rustig en zeer sociaal mens; haar collega’s en mede-Joffers vonden haar een heel prettig in de omgang en zij waardeerden haar persoonlijk en professioneel. Niemand sprak negatief over haar. Zelf was ze geneigd haar eigen werk en haar positie in de wereld te onderschatten.
In de laatste jaren van haar leven ging haar gezichtsvermogen er steeds meer op achteruit. Dit voegde een ‘mysterieuze waas’ toe aan haar laatste schilderijen, zoals de Nieuwe Haagsche Courant in 1968 schreef. Toen de voorlaatste ‘Joffer’ Betsy Westendorp-Osiek stierf in 1968, was Jacoba Surie er kapot van en voelde ze zich alleen. Nu was zij de laatste die nog over was en had ze niemand om oude herinneringen mee op te halen.
Ze stierf in haar geliefde Amsterdam op 5 februari 1970, op 90-jarige leeftijd. Ze werd begraven op de begraafplaats Zorgvlied. De Amsterdamse Joffers waren uitgestorven.

Prijzen
Het werk van Jacoba Surie werd meermalen bekroond.
In 1913 won ze de Willink van Collen-prijs en ontving ze de bronzen medaille op de tentoonstelling ‘De Vrouw’.
In 1919 ontving de Zilveren Medaille van de stad Utrecht.
In 1929 de gouden Arti-medaille van koningin Wilhelmina.
In 1940 ontving ze de St. Lucasprijs.
Op 29 april 1963 ontving ze een koninklijke onderscheiding van de toenmalige burgemeester van Amsterdam, Gijs van Hall: ze werd Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

Tentoonstellingen en musea
Haar eerste tentoonstelling was in 1918 bij de Maatschappij voor Beeldende Kunsten, samen met andere Joffers.
Werken van Jacoba Surie werden in 1929 tentoongesteld in Amsterdam, Arti et Amicitiae en bij Vereeniging St. Lucas in 1931. Haar werk was ook aanwezig op de tentoonstelling ‘Stilleven’ bij Kunstgalerie Goudstikker in 1933.
In 1940 exposeerde ze in de ‘Stilleven en bloemen van 30 hedendaagse schilders’.
In 1954 was haar werk te zien bij het Ministerie van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen.
Het Stedelijk Museum Amsterdam, het Kunstmuseum Den Haag en het Stedelijk Museum Helmond hebben allemaal werken van Jacoba Surie in hun collectie.

Bronnen
– Jacobs, P.M.J.E. 2000, Beeldend Benelux, biografisch handboek. Tilburg: Stichting Studiecentrum voor Beeldende Kunst.
– Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD.
– Venema, A. 1977, De Amsterdamse Joffers. Baarn: Het Wereldvenster.
– Wikipedia.

 

Coba Surie

Stilleven met appels en een pot,

Beschikbaar in de online galerie.

 

 

 

 

Coba Surie

Bokkingen
olieverf op doek
30,3 x 40,3 cm
gesigneerd rechtsonder
Collectie Simonis & Buunk, Ede.